Zweefvliegtuigen moeten zonder voortstuwing zo efficiënt mogelijk hoogte in afstand omzetten. Een lage aerodynamische weerstand en een hoge lift-weerstandsverhouding zijn daarom bepalend voor de prestaties. Zelfs kleine lokale verstoringen van het stromingsveld kunnen bij een modern zweefvliegtuig merkbaar bijdragen aan de totale weerstand.
Bij de ontwikkeling van dit zweefvliegtuig waren verschillende universiteiten en ingenieursbureaus betrokken. DLR Braunschweig en de Technische Universiteit Delft werkten aan de keuze en optimalisatie van de vleugelprofielen; FlowMotion richtte zich op de aerodynamische ontwikkeling van de overgang tussen romp en vleugel.
Deze aansluiting is aerodynamisch complex. De grenslagen op romp en vleugel beïnvloeden elkaar en de driedimensionale drukgradiënten in de overgang kunnen lokale versnelling, secundaire stroming en stromingsloslating veroorzaken. Een ongunstige geometrie verhoogt daardoor de weerstand en kan bovendien de lokale liftverdeling beïnvloeden.
Met driedimensionale CFD-berekeningen werden verschillende geometrische varianten van de romp-vleugelovergang onderzocht. De lokale snelheids- en statische-drukvelden, stroomlijnen en gebieden met mogelijke stromingsloslating maakten zichtbaar waar aerodynamische verliezen ontstonden.
CFD maakte het mogelijk veel geometrieën relatief efficiënt te vergelijken voordat een kostbaar windtunnelmodel werd vervaardigd. Alleen de meest veelbelovende configuraties hoefden vervolgens experimenteel te worden onderzocht.
Deze combinatie van numerieke optimalisatie en windtunnelvalidatie leverde een zorgvuldig vormgegeven romp-vleugelovergang op, gericht op minimale interferentieweerstand en behoud van een gunstig stromingsveld.
Zweefvliegtuigen moeten zonder voortstuwing zo efficiënt mogelijk hoogte in afstand omzetten. Een lage aerodynamische weerstand en een hoge lift-weerstandsverhouding zijn daarom bepalend voor de prestaties. Zelfs kleine lokale verstoringen van het stromingsveld kunnen bij een modern zweefvliegtuig merkbaar bijdragen aan de totale weerstand.
Bij de ontwikkeling van dit zweefvliegtuig waren verschillende universiteiten en ingenieursbureaus betrokken. DLR Braunschweig en de Technische Universiteit Delft werkten aan de keuze en optimalisatie van de vleugelprofielen; FlowMotion richtte zich op de aerodynamische ontwikkeling van de overgang tussen romp en vleugel.
Deze aansluiting is aerodynamisch complex. De grenslagen op romp en vleugel beïnvloeden elkaar en de driedimensionale drukgradiënten in de overgang kunnen lokale versnelling, secundaire stroming en stromingsloslating veroorzaken. Een ongunstige geometrie verhoogt daardoor de weerstand en kan bovendien de lokale liftverdeling beïnvloeden.
Met driedimensionale CFD-berekeningen werden verschillende geometrische varianten van de romp-vleugelovergang onderzocht. De lokale snelheids- en statische-drukvelden, stroomlijnen en gebieden met mogelijke stromingsloslating maakten zichtbaar waar aerodynamische verliezen ontstonden.
CFD maakte het mogelijk veel geometrieën relatief efficiënt te vergelijken voordat een kostbaar windtunnelmodel werd vervaardigd. Alleen de meest veelbelovende configuraties hoefden vervolgens experimenteel te worden onderzocht.
Deze combinatie van numerieke optimalisatie en windtunnelvalidatie leverde een zorgvuldig vormgegeven romp-vleugelovergang op, gericht op minimale interferentieweerstand en behoud van een gunstig stromingsveld.




